Het bericht Improviseren en de hokjes van de tijdsgeest verscheen eerst op Improblog.
]]>Improvisatie laat situaties zien, waar we dagelijks mee te maken hebben. Om deze situaties voor het publiek beleefbaar te maken, vergroten we ze uit en maken we gebruik van status, emoties & stereotypen.
En daar is nu een interessante ontwikkeling gaande. De inwoners van Nederland zijn zich steeds meer bewust van de mensen om hun heen. Er wordt steeds kritischer gekeken naar elkaar én in steeds grotere mate naar zichzelf. Dit levert vragen op als:
– Hoe gedraag ik me naar mensen met een andere afkomst?
– Hoe draag ik bij aan een circulaire economie?
– Welke stappen neem ik om mijn ecologische voetafdruk te verkleinen?
– Hoe gedraag ik mij richting het andere geslacht?
– Hoe help ik mensen in oorlog/nood/op de vlucht?
– Wat geef ik mijn kinderen mee aan waardes?
(Ik hoor graag andere zelfreflectie vragen, die je in dit rijtje mist)
Dit leidt tot interessante vloer op scènes, waarbij de achter de schermen gaan bij de Voice, of een niet nader te noemen minister president spelen, die aan het tikken is met dikke duimen op een oude Nokia. Maar het levert ook interessante lesmomenten op.
In mijn basiscursus zitten lessen over status en lessen met djebber. Deze lessen maken veel gebruik van stereotypen. Afgelopen les hebben we een interessante discussie gehad binnen de groep: of we met het neerzetten van een stereotype zwerver of koning, deze stereotypen niet juist versterken. En hiermee dus bijdragen aan het vastgeroeste beeld dat wij hebben.
Op televisie hebben we in 2016 al mogen genieten van het programma ‘De Hokjesman’, waarin onder andere Drenten, geesteszieken, professoren, lesbiennes, duurzamen en Rotterdammers de revue passeerden. Is het indelen in hokjes een basisbehoefte van de mens, om het voor ons behapbaar (en voor de improvisatiespeler speelbaar) te maken? Of kunnen we de hokjes loslaten en op een andere manier spelen?
Bijvoorbeeld door meer te focussen op de relatie en de emotie?
Zoeken naar overeenkomsten? Zoals in het programma ‘Het grote hokjes experiment’ met zaken als: wie is er eenzaam? Wie kookt er thuis? Wie maakt zich wel eens zorgen over geld? Doe de hokjestest om je eens te inspireren.
Ik ga eens beginnen met de statusles en djebberles aan te passen aan de huidige tijdgeest en voel in ieder geval heel veel inspiratie opborrelen voor nieuwe scenes en scenarios.
Wouter Hollander
Het bericht Improviseren en de hokjes van de tijdsgeest verscheen eerst op Improblog.
]]>Het bericht Improviseren en opvoeden: kletsen in een andere taal, alsof-lippenstift en robohond verscheen eerst op Improblog.
]]>‘Zullen we in een andere taal kletsen?’ We voeden haar niet tweetalig op, maar toch vraagt mijn dochtertje van drie dit regelmatig. Vervolgens houden we een gesprekje in een niet-bestaande brabbeltaal. Iedere impro-speler zal het meteen herkennen als jabberen. Ze vindt het hilarisch en het is qua taalontwikkeling vast ook wel ergens goed voor. Ze zingt soms ook liedjes in haar eigen taaltje of leest ze zichzelf erin voor. En als ze het zat is, zegt ze gewoon: ‘Nu weer in onze gewone taal!’
Lippenbalsem heeft een enorme aantrekkingskracht op onze peuter. Met name als ze zich verkleedt als zeemeermin, wil ze heel graag lippenstift op (dat heeft een echte zeemeermin tenslotte ook of zo). Ik vind het niet zo’n geweldig idee om dagelijks lippenbalsem op te smeren en dus hebben we een oplossing: alsof-lippenstift. Even goed mimen – rustig erbij pakken, dopje eraf, lippen tuiten, secuur opsmeren en dan afhappen op een niet-bestaand papiertje – en voila: iedereen tevreden. Zo beelden we wel vaker dingen uit die ze graag wil maar niet echt krijgt, met als voornaamste voorbeeld een ijsje. Overigens viel het effect van het alsof-hekje voor haar slaapkamerdeur me wat tegen. We moesten haar alsnog acht keer terug naar bed brengen.
Het uitbeelden leidde spontaan tot een nieuw spel genaamd Wat heb ik in mijn hand? Om beurten pakt iemand een denkbeeldig voorwerp en beeldt uit wat je ermee kunt doen. De anderen moeten vervolgens raden wat het is. (Tip: als je het ooit met mijn dochtertje speelt, is de kans heel groot dat ze de controller van de Playstation uitbeeldt. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt volledig bij mijn vrouw.)
Wie kleine kinderen heeft, weet dat je ze soms maar moeilijk mee krijgt. Wandelen naar de supermarkt toe gaat dan bijvoorbeeld prima, maar terug naar huis is ineens een obstakel van formaat. Uit ervaring kan ik inmiddels zeggen dat aansporingen met steeds hoger oplopende irritatie en boosheid – ‘Loop eens door! Nee, niet die kant op! Laat dat steentje maar even liggen’ – niet heel effectief zijn en de sfeer nogal verpesten. Bovendien: huilende kinderen lopen niet door, dus dat schiet ook niet op.
Toen mijn vrouw, dochtertje en ik laatst te kampen hadden met dit Enorm Grote Probleem, zag ik mijn vrouw een zeer effectieve actie inzetten. Ze transformeerde in Robohond, het metalen hondje uit ultieme favoriete kinderserie PawPatrol. In navolging van een aflevering bleek de antenne van robohond stuk. Gevolg: ze sloeg op hol en dus moesten mijn dochtertje en ik er wel in volle vaart achteraan. Dat robohond toevallig op hol sloeg richting ons huis, maakte niemand iets uit. En de geamuseerd-verwonderde gezichten van andere voetgangers evenmin. Met een goed humeur en eigenlijk nog sneller dan normaal kwamen we op die manier uiteindelijk thuis aan. Dankzij een beetje speelsheid, een beetje ja zeggen tegen de situatie en meegaan in het idee van de ander. Oftewel: loepzuivere impro-uitgangspunten. Kost het energie? Tuurlijk, maar dat kost boos worden ook en geloof me: dit levert meer op.
Natuurlijk lost een beetje improviseren in de opvoeding niet alles op en sla ik met enige regelmaat de plank mis. Bovenstaande voorbeelden zijn dan ook vooral bedoeld als inspiratie voor het toepassen van impro in de dagelijkse praktijk. En als herinnering voor mezelf.
Het bericht Improviseren en opvoeden: kletsen in een andere taal, alsof-lippenstift en robohond verscheen eerst op Improblog.
]]>Het bericht Verbinding uit noodzaak: improviserend Nederland komt bij elkaar verscheen eerst op Improblog.
]]>Het was prachtig weer in Utrecht op zaterdag 19 maart van dit jaar. Ik stond buiten bij Het Huis een beetje bij te kletsen met improviserende mensen na de – overigens zeer geslaagde – voorstelling Spelen Met Geheimen (pssst boek kopen?). Binnen ging de volgende show van de NTT-spinoff Improfestival alweer zo’n beetje van start toen ik in gesprek raakte met Cindy Pittens. Die naam zal de meeste mensen uit ‘het improwereldje’ wel wat zeggen, want zij is bij uitstek iemand die alle windstreken van dat wereldje aandoet.
Dat is ook precies waar we het over hadden: dat er nog steeds weinig contact is tussen de verschillende impro-cirkeltjes in Nederland (en België). En hoe jammer dat is. Ik schreef er in januari 2019 al eens een blogje over. Ruim een jaar later zette het coronavirus de hele maatschappij op zijn kop. Dat had ook zijn weerslag op de improvisatie-scene. Evenementen werden afgeblazen, groepen stopten met repeteren of deden dat op experimentele basis online.
Een gevolg van de online-activiteiten is internationalisering. Als je workshop toch via camera en beeldscherm verloopt, maakt het niet uit of de deelnemers en de trainer twee straten verderop zitten of aan de andere kant van de wereld.
Opvallend genoeg maakt het meest internationale improvisatie-evenement van ons land nu het omgekeerde door. Waar doorgaans impro-grootheden van over de hele wereld naar Nederland komen om op te treden op Impro Amsterdam, is de opzet van de editie van dit jaar anders. Wegens omstandigheden zullen we maar zeggen, is het festival dit jaar kleiner en lokaler (of eigenlijk: nationaal in plaats van internationaal). Waar de Nederlandse inbreng altijd al aanzienlijk was, staan spelers, groepen en trainers uit lage landen nu helemaal centraal.
En zie, de aloude improvisatie-wet treedt weer in werking: zelf spelen is populairder dan kijken. Een blik op het prachtige aanbod van shows en workshops laat zien dat impro-spelers uit allerlei cirkels en kringetjes meedoen. Er komt nog een algemeen gelden cliché bij: onbekend maakt onbemind. Een improvisator uit India, Brazilië of de Verenigde Staten kan nog zo briljant en inspirerend zijn, als je er nog nooit van gehoord hebt, ben je misschien niet geneigd er naartoe te gaan. Terwijl je voor je trainer, teamgenoot of voormalig medespeler misschien wel de moeite neemt om te gaan kijken.
Waar blogjes en oproepen – zoals die van mij maar ook van Sven Lanser, toenmalig artistiek leider van Impro Amsterdam – weinig effect hebben, lijken de naweeën van de crisis wel doeltreffend. De bijzondere opzet van Impro Amsterdam 2022 is weliswaar uit noodzaak geboren, maar heeft nu al een positief effect op de Nederlandse impro-community. Het brengt mensen bij elkaar. Laten we hopen dat die verbinding stand houdt als volgend jaar de internationale spelers weer hun opwachting maken. Wil je er zelf onderdeel van zijn, regel dan nu je kaartje voor een show of een workshop.
Het bericht Verbinding uit noodzaak: improviserend Nederland komt bij elkaar verscheen eerst op Improblog.
]]>Het bericht Impro-pensioen: zal ik het doen? verscheen eerst op Improblog.
]]>Al bijna twintig jaar (!!) speelt improvisatietheater in grotere of kleinere mate een rol in mijn leven. Het begon als leuke hobby in mijn Groningse studententijd (hoi mensen van Ulteam!) en groeide uit tot ware passie in mijn tien jaar bij onder meer Placebo en diverse gelegenheidsformaties. Ondertussen ontwikkelde het geven van lessen, trainingen en workshops zich van leuk experiment en bijbaantje tot mijn fulltime baan (en weer een stukje terug). Het bracht me van een vaste cursusgroep en diverse verenigingen bij bedrijven, overheden en zelfs de televisiestudio.
Maar toen het allemaal weg viel, dacht ik af en toe bij mezelf: mis ik het nou echt? Ergens vond ik het ook wel lekker rustig zo. En de vrienden die ik via improvisatietheater maakte, zie ik toch wel. Er is een jaarlijks weekend met Placebo-oudgedienden en ook impro-formatie in ruste De Vereeniging heeft nog veel digitaal en af en toe in levende lijve contact (ondanks het feit dat een kwart van de leden is geëmigreerd). De vraag dringt zich dan ook op: waarom doe ik het nog?
Een impro-pensioen klonk me eerlijk gezegd niet slecht in de oren. Maar de paar dingen die nog wel door konden gaan afgelopen tijd, brachten me weer op andere gedachten. Anderhalf jaar geleden verhuisde ik van Amsterdam naar Amersfoort, waar theatersportgroep Bruin Tapijt me vroeg om les te komen geven. Dat was niet altijd gemakkelijk, met alle maatregelen, beperkingen en onzekerheden. Maar gaandeweg kreeg ik er weer steeds meer plezier in. En merkte ik dat ik ook zin kreeg om gewoon lekker mee te doen.
Bovendien toog ik voor drie optredens met de Nederlands-Belgische cast van Werewolves The Improv Show naar Brussel voor drie optredens. Ook dat smaakte naar meer. Niet alleen omdat het hartstikke leuk en gezellig was om met deze spelers door Brussel te struinen, maar ook het spelen zelf. De connectie tussen de spelers, de wonderlijke dingen die zo maar ontstaan op een podium, de manier waarop spelers elkaar en soms zichzelf kunnen verrassen.
Om mij heen hoor ik wel meer geluiden van mensen die het gevoel hebben dat ze er ook wel de impro-brui aan kunnen geven. Welk besluit zij daarover gaan nemen, weet ik uiteraard niet. Voor mezelf heb ik besloten dat ik mijn impro-pensioen voorlopig nog even uitstel en voorlopig nog wel een tijdje blijf improviseren. In welke vorm en in welke mate, weet ik nog niet, maar improviserend Nederland is nog niet van me af. En andersom ook niet.
Het bericht Impro-pensioen: zal ik het doen? verscheen eerst op Improblog.
]]>Het bericht Waarom het uit is tussen impro en mij verscheen eerst op Improblog.
]]>Laat ik een stapje terug doen. Ik zit sinds een tijdje overspannen thuis. Het blijkt dat op de werkvloer ‘Yes and’ blijven zeggen niet voor lang werkt. Sterker nog, een ‘No’ is niet een blokkade voor je collega opwerpen, het is een super effectief middel om je grens aan te geven. Kantoor bleek een hele andere wereld dan het podium. Een monoloog van mijn kant werd niet beloond met een applaus, maar met kritische vragen. De draaideur was daadwerkelijk een deur. En de diashow bleek een saaie powerpointpresentatie. Wat werk en impro echter wel met elkaar gemeen hebben, is dat ik het nu allebei stom vind.
Nu heb ik er het volste vertrouwen in dat ik het plezier in werk wel weer terug ga vinden. Laten we het in godsnaam hopen, want ik heb volgens de voorspellingen nog zo’n kleine 50 jaar te werken tot mijn – eventuele – pensioen. Maar mijn plezier in impro, daar maak ik me best zorgen over. Hoe kan iets waar ik al jaren een bak vol energie van krijg, waar ik (tot vervelends toe) vol passie over praat, waar ik fotolijstjes mee vol heb hangen, me opeens zo koud laten? Zittend aan de kant van een paar trainingen bij m’n lieve clubje Placebo, overdacht ik dit vraagstuk. Volgens mij ligt het aan de volgende drie zaken.
Hoe verdrietig dit ook klinkt, het is nu toch de realiteit. Al zet je me in een zaal met de grappigste cabaretiers, de prachtigste kunst of het lekkerste eten: het laat me koud. De grapjes op de trainingen waren niet leuk meer en de mooie, oprechte scènes saai. En als het me vanaf de zijkant niet kon bekoren, kon het me al helemaal niet enthousiasmeren om zelf een scène mee te doen.
Hoe vaak ik niet zelf tegen leerlingen heb staan roepen: ‘Je kan dit niet fout doen, werkelijk alles is goed’, mijn hoofd gelooft daar nu niets meer van. Bij een simpel associatie-spelletje, beginnen mijn oksels spontaan aan een waterballet. Ik betrap mezelf erop van tevoren een antwoord te bedenken, wat universeel ‘goed’ zal zijn.
Bij elke groepjes-opdracht waarbij we iets moeten voorbereiden, raak ik in paniek. Want dan MOET ik dus iets, terwijl ik eigenlijk even niets kan, en ik al veel te veel heb moeten moeten, en ik daarom in deze situatie zit, kak ik zit in deze situatie, KAK ik kan nu ook al niet genieten, kom Roos even genieten nu, KAKKERDEKAK, nu moet ik ook al genieten, shit wat zei de docent nou, nog maar 1 minuut?! En terwijl ik met suizende oren en een duizend-meter-sprint-hartslag om me heen kijk, zie ik mijn teamleden lachend met elkaar overleggen. ‘Joh, fuck it’, zeggen ze, ‘we doen gewoon wat’. En precies dat, ‘fuck it’, dat kan ik nu dus totaal niet.
Misschien weet je nog wel de eerste keer dat je voor publiek speelde, in de coulissen stond en dacht: waarom doe ik dit? Dat je opeens besefte dat je geen idee hebt wat er precies ging gebeuren, wat de suggesties zouden zijn of welke games je precies zou spelen. En na die eerste keer dacht je waarschijnlijk vooral: wat was dit vet om te doen!
Omdat je begint te houden van die onwetendheid. Omdat dat exact de kracht is van impro: totaal in het moment dealen met de situatie waarin werkelijk alles kan gebeuren. Maar deze realiteit van oneindige mogelijkheden, zit me nu dwars. Het feit dat een medespeler je op ieder moment zou kunnen zoenen, de pianist ieder moment een lied af kan dwingen of een jurylid kan roepen ‘ga verder in rijm’, past simpelweg niet in je hoofd. Je kan al die opties niet overdenken, je kan je er niet op voorbereiden en je hebt er geen controle op. En ik ben nu juist op zoek naar controle, naar een stukje veiligheid zodat ik niet continu waakzaam en dus gespannen hoef te zijn.
En juist het tegenovergestelde van deze drie stellingen hebben me ooit zo laten vallen voor impro. Ik vond alles leuk, voelde geen druk en ik genoot van het niet hebben van controle. Het voelde als vrij zijn.
Deze drie punten zijn vast maar een klein stukje van de puzzel, maar het heeft mij in ieder geval geholpen om dit eens op te schrijven. De afgelopen tijd is voor veel mensen uitdagend geweest en er zullen vast anderen zijn die nu ook niet lekker in hun vel zitten. Wat heeft dat voor invloed op de impro-romance? Wellicht zijn er andere spelers die zich in mijn verhaal herkennen en die hun liefde weer hebben hervonden? Dan bij deze een oproep voor tips!
En zolang ik nog zit met dit liefdesverdriet, geniet ik maar van yoga. Because we all need our rebound.
Roos.
Het bericht Waarom het uit is tussen impro en mij verscheen eerst op Improblog.
]]>Het bericht Embodiment in improvisatie verscheen eerst op Improblog.
]]>Ik ging als vrijwilliger online Embodiment Circles faciliteren (waarbij mijn specialisatie natuurlijk de creatieve insteek was), werd als staflid ingehuurd voor de online Embodiment Conference, las boeken en volgde Heel Veel online workshops. Nou had ik al jaren ervaring met theater en dans en ben zelfs opgeleid als yin yoga docent, maar nu kwam er ook een bak theorie bij die mijn ervaring verrijkte.
En het viel me vooral op hoe weinig we in impro eigenlijk bezig zijn met het lichaam. We zéggen wel altijd dat het lijf je voornaamste instrument is en we doen een leuke fysieke warmup, maar vervolgens is er vaak weinig lichaamsbewustzijn en zit bijna elke speler in het hoofd. In het embodiment werk leerde ik waarom mensen geen contact met hun lijf hebben (stress, trauma, nooit geleerd), hoe je dat kan veranderen en wat dat oplevert.
Toen ik weer live les ging geven bekeek ik mijn spelers met nieuwe ogen. Ik zag veel scherper waar iemand bevroor, uit balans was, over gevoel en impuls heen walste, etc. Ik zag het in lijf en ook ogen, hoorde het in stem en adem. En toen ging ik er iets mee doen. Een aantal aspecten daarvan wil ik hier uitlichten.
De fight/flight/freeze reacties in het lijf, die ontstaan als een reactie op een stressvolle situatie (zoals voor de meeste mensen: voor een groep moeten improviseren), klinken je vast bekend in de oren.
De fight reactie kan mijns inziens bij impro’ers zichtbaar worden in de vorm van heel erg je best doen, in discussie gaan met de docent, boos worden op andere spelers die voor jouw gevoel je idee niet accepteerden of controlerend veel spelaanbod doen.
De flight reactie kunnen we vermoeden als iemand heel zacht praat, erg meegaand speelt en weinig initiatief neemt, in de coulissen blijft staan, etc.
Maar dan de freeze. Het bekendste freeze voorbeeld is het hert of konijn dat bevriest en met grote ogen naar de koplampen van de naderende auto kijkt. Hoe herkennen we dat in impro? Een black-out in je hoofd, een stagnerend lijf. In de Polyvagal Theory van Stephen Porges leer ik dat de fight en flight reacties overlevingsstrategieën zijn, en dat als die niet meer werken en de stress verder oploopt, je zenuwstelsel overweldigd raakt en in shutdown gaat. Oftewel: als je een impro’er in freeze ziet schieten is de stress echt te hoog opgelopen. Wat kunnen we hiertegen doen?
Daarvoor moet ik even terug naar een 5rhythms dansimprovisatie workshop die ik deze zomer deed. In de vierdaagse live workshop leerden we herkennen wanneer ons lijf in een freeze belandde. Er waren twee cirkels, binnen en buiten. In principe danste je in de binnenkring. Maar als je voelde dat je blokkeerde dan verhuisde je naar de buitenkring, ging je vertragen en zo vloeiend (moeiteloos) mogelijk bewegen.
Deze oefening duurde twee uur en de eerste anderhalf daarvan stond ik tot mijn verbazing alleen maar in de buitenkring. Telkens als ik weer naar het midden wilde voelde ik de freeze opkomen. En die nam hele verschillende vormen aan. Gevoel van weerstand, chagrijn. Een lijf dat stroperig voelde en niet meer in beweging wilde komen. Me zorgen maken over welke pasjes ik zou moeten dansen i.p.v. dat gewoon laten ontstaan. En dan ging ik weer terug, naar de buitenkant, terug naar moeiteloosheid en vertraging. Naar daar waar het makkelijk ging. Normaal gesproken zou ik mezelf er doorheen hebben gepusht (fight). Nu koos ik een andere route. Ik vond het enorm ontroerend en zelfliefdevol.
Goh, wat doe ik dat weinig in mijn leven, daar zijn waar het makkelijk is. En hoe zou het impro-spelers helpen om dat meer te doen. Oftewel: ik wil impro-spelers ook leren om uit die freeze te blijven (en ook uit fight en flight, als we dan toch bezig zijn).
Impro-docenten zijn geen therapeuten, dus we kunnen de oorzaak van de stress niet altijd wegnemen. Belemmerende overtuigingen over niet mogen falen kunnen we aanstippen maar niet aanpakken. Het helpt wel als je iets weet over stress en het lichaam. Over trauma leerde ik dat ieders zenuwstelsel anders reageert op stressvolle situaties. Je kunt mensen dus niet vergelijken. De een is gevoeliger voor stress dan de ander en zal dus eerder in een freeze schieten. Het betekent niet altijd dat er een heftig trauma onder zit. Ook leerde ik dat zelfs kleine dingen die vroeger gebeurd (of juist niet gebeurd) zijn het zenuwstelsel flink hebben kunnen beïnvloeden.
‘Trauma-informed’ werken houdt in dat je aan het lichaam kan zien wanneer iemand in een stressrespons schiet en dat je daar mee om weet te gaan. Als je een cursist vraagt een bepaalde opdracht te doen kun je bijvoorbeeld soms aan de verwijde pupillen zien dat die opdracht teveel stress geeft. Een cursist kan zéggen dat hij/zij de opdracht wel wil doen, maar jij leest in het lichaam iets anders. We hebben het in impro vaak over ‘uit je comfort zone’ gaan maar ik vraag me steeds meer af of we niet veel meer veiligheid moeten bieden. Niet in de vorm van meer afspraken of structuur, maar wel in het mensen meer regie geven over hoe ze met een geprikkeld zenuwstelsel om willen gaan. En dat begint bij bewustwording van hoe dat werkt. Om dat heel concreet te maken: een techniek om je zenuwstelsel te kalmeren heet centring.
In martial arts zoals aikido en kung fu is het belangrijk je centrum te voelen. De plek een paar vingers onder je navel die het midden van je lichaam is en die je helpt om o.m. stevig te staan en interactie aan te gaan met een ander. In een gastles door een aikido-docent bij een van mijn groepen bij TVA hadden mijn cursisten al eens geleerd dat dat een enorm effect heeft op je samenspel.
Maar de centring-technieken die ik in de embodiment wereld leerde gaan niet allemaal over dat ene punt onder je navel. Centring is daar een manier om jezelf (je zenuwstelsel) te reguleren. Dat kan downregulation of upregulation zijn. Als je gespannen bent heb je downregulation nodig, bijv. door je uitademing langer te maken dan je inademing. Als je te weinig energie hebt, wil je wat upregulation, bijvoorbeeld door drie keer achter elkaar snel veel lucht binnen te zuigen door je neus en weer kort uit te ademen door je mond.
Deze voorbeelden zijn centring-technieken met ademhaling. Maar ze zijn er ook met verbeeldingskracht (doe nu maar even: hoe zou je je voelen als je op een zonnige vakantie bestemming zou zijn? Merk je op dat er iets in je lijf/gevoel verandert?). Of met voorwerpen, je ogen, of met een stappenplan.
Vooruit: een mini-stappenplan om het in drie seconden zelf te proberen (credits Mark Walsh, Embodiment Unlimited):
Voel je je nu anders? Hoe zou het zijn als je dit voor een impro-scene deed?
Ik ben hier mee gaan experimenteren in impro-lessen. Ik gaf de spelers, die lange tijd niet live gespeeld hadden, de opdracht tot een solo voor de groep. Spannend! Ik liet een speler eerst checken bij zichzelf wat hij/zij nodig had en leerde daarna een korte centring techniek aan. Eerst gaf ik iedereen dezelfde downregulating techniek (zoals bovenstaand stappenplan), maar al snel ontdekte ik dat iedereen iets anders nodig heeft. Ik snapte al niet waarom de groep zo inkakte…
In de embodiment-workshops en -boeken leerde ik dat dit een stap verder gaat dan mindfulness. Ik was in mijn impro-lessen al jaren bezig met mindfulness: opmerken wat de innerlijke criticus tegen je zegt, opmerken waar je lijf een impuls geeft, opmerken welke emotie er in je opkomt. Vervolgens leerde ik gevorderde cursisten dan ook om dat wat je opmerkt als spelmateriaal te gebruiken.
Maar nu gaat het over opmerken en kiezen of je dit wel wíl. Ja, ik kan heel mindful opmerken dat ik gespannen ben in of voor een scene, dit helemaal omarmen en accepteren als een volleerde spiri-guru, of het misschien zelfs als echte pro als spelmateriaal gebruiken, maar er is dus nóg een optie: het veranderen. Mezelf reguleren. Awareness plus Choice.
Als je je staat van zijn kan reguleren, dan kan je ook een staat van zijn oproepen die jij zelf misschien wel niet zo goed kent en die je toch wilt inzetten om een bepaald personage te spelen. En nu komen we bij een andere toepassing van embodiment in impro, niet gerelateerd aan stress. Ik ging experimenteren met houdingen uit Embodied Principles. Ook weer uit boeken en cursussen van Embodiment Unlimited, geheel niet gericht op impro, maar er wel naar te vertalen.
De houdingen gaan over allerlei kwaliteiten die een mens in min of meerdere mate ter beschikking heeft. Bijvoorbeeld een houding die ‘Ruimte Innemen’ uitdrukt, of ‘Nee zeggen’, of ‘Kwetsbaarheid’, etc. Twee vrouwelijke cursisten gaven me terug dat ze de Nee-houding thuis een paar seconden hadden aangenomen voordat ze een moeilijk telefoongesprek met hun ex hadden. Het hielp. Diezelfde Nee-houding had er in de les toe geleid dat scenes puntiger werden, zinnen korter en dus krachtiger (impro-ers gebruiken vaak zo onnodig veel tekst!). En dat boos ook echt boos was. Niet meer met een glimlach.
Sinds ik weet dat ik vanaf september een lesprogramma mag maken rondom embodiment in impro stromen de ideeën. Wat als we eerst een Nieuw-Zeelandse Haka doen en daarna De Vloer Op scenes? Hoe is het Flowing ritme van 5rhythms vergelijkbaar met de niks-aan-de-hand opening van een scene? Kunnen we personages maken met het Laban bewegingsvocabulaire? En hoe kunnen we het lijf als ingang gebruiken om op meta niveau iets over jezelf als impro’er te ontdekken, bijvoorbeeld over het nemen en loslaten van verantwoordelijkheid in een scene.
Teveel ideeën leiden bij mij tot, je raadt het al, stress. Want ergens vertel ik mezelf dat ik pas een goed lesprogramma kan maken als ik alles weet wat er te leren valt over embodiment. Ik zie zelfs een freeze ontstaan, waarin mijn hoofd er gewoon even mee stopt. Ik moet weer even in de buitenkring gaan dansen. Dan komt alles vanzelf goed.
—
Vanaf september geef ik bij TVA in Amsterdam op donderdagen van 19:00-20:45 een gevorderdengroep ‘Impro Dojo’ waarin we veel met embodiment technieken gaan werken. Er is nog plek. Hier staat alle info.
Het bericht Embodiment in improvisatie verscheen eerst op Improblog.
]]>Het bericht Impro na de pandemie: de beste theatersporters van Nederland verscheen eerst op Improblog.
]]>Wellicht herken je je hier wel in: de dinsdagavond (lees theatersportavond) is heilig in het seizoen. Vanaf acht uur verdiepende lessen, levensverrijkende inhoud, oefeningen, lekker spelen en vaak nog een derde helft. Samen impro spelen vraagt om een groot onderling vertrouwen, zodat je een gevoel van veiligheid krijgt waarmee je alles los kunt laten. Er wordt een band gevormd tijdens het trainen, die vaak met een drankje na afloop versterkt wordt. En andersom verdiept het naborrelen het groepsgevoel, dat zich natuurlijk weer uitbetaalt tijdens het spelen.
Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld sportploegen en koren. Maar ik denk dat zij vaak niet zo diep gaan als een improgroep, waar je als het ware bungyjumpt zonder elastiek, vol vertrouwen dat je medespelers je opvangen. Deze groepsband is van belang op die dinsdagavonden, maar werkt ook de rest van de week door.
Wij zijn een hechte groep, delen ook veel buiten de dinsdagavond al lopen we niet elkaars verjaardagen af. Anderhalf jaar beperkingen in het samenzijn heeft daarop toch een eroderend effect. We deden ons best, speelden tijdens de lockdowns via Zoom met ruimte voor een nazit. Er was natuurlijk contact via whatsapp, naast de gewone was er een speciale games-groepsapp. Daarin daagden we elkaar uit: wat is het verhaal achter een foto, spreek een antwoord in op een fictieve voicemail of maak je eigen versie van een iconische afbeelding.
Zodra het weer kon gingen we live. Niet in ons vaste zaaltje maar op een mooie buitenlocatie met een fris windje en een gammel podium. We trokken ons niets aan van het seizoenseinde dat het rooster dicteerde en kwamen zowat de hele zomer van 2020 wekelijks samen. De ironie wil dat we dankzij de lockdown vaker bij elkaar waren dan anders, al was het zelden voltallig en niet altijd in levende lijve.
Tijdens de coronaperiode vielen docenten uit, die normaal een op de twee trainingsavonden vullen. Eerst losten we dat onderling op, bereidde iemand een avond voor zodat er een doel in gedachten was of een speerpunt om aan te werken. Met de tweede lockdown lieten we dat los. Soms deden we gewoon wat anders, zoals online pubquizzen of kerstborrelen. Meestal was het wuppen en dan de games spelen waar we zin in hadden. Of nog makkelijker, we lieten de games kiezen door een online rad van fortuin.
In mei leefden we op omdat buiten oefenen weer mocht. Kwamen samen bij het podium dat nog gammeler en mooier was geworden. Met een gevoel van onwerkelijkheid zagen we elkaar in 3D. We praatten wat bij. Iemand begon met het doorgeven van een klap, dat liep ongemerkt over van de ene in de andere oefening. Het laatste uur speelden we games, eindelijk weer zonder digitale bemiddeling. Het vervulde ons met een blijmoedig gevoel, vol hoop. De les liep uit maar we waren relatief vroeg thuis; een derde helft mocht niet omdat we dan geen toneelclub maar een verboden samenscholing zouden zijn. Ook dit jaar knoopten we nog wat weken aan het seizoen. Genietend van het improviseren en samenzijn, meer niet.
Maar er miste iets. Allereerst waren er nog steeds de beperkingen zoals het zoveel mogelijk vermijden van fysiek contact, schreeuwen en zingen. Maar uiteindelijk heeft een theatersportgroep behoefte aan vernieuwing, verdieping, inhoud, extra uitdaging. Zoals je na een week fastfood eten toe bent aan een maaltijd die met aandacht bereid is. En als je samen in de keuken gaat staan, wordt daar niet alleen de maaltijd maar ook de onderlinge band beter van.
Het begon als een gedachte-experiment: kan het concept van “De beste zangers…” als inspiratie voor een game dienen? Wellicht, maar het blijkt vooral een goede invulling van een lesavond te zijn voor groepen die al wat langer samenspelen. Dan ken je immers de voorkeuren, sterke rollen en andere tops van je medespelers. Het blijkt ook een positieve uitwerking te hebben op het hiervoor omschreven probleem, omdat het voor wat verdieping en extra uitdaging zorgt. Als je het idee hebt dat in jouw groep ook wel een of meer avonden geïnvesteerd kunnen worden omdat er wat “corona-erosie” is, op een ontspannen manier uitgaand van “don’t talk, act”, is deze vorm wellicht een goede optie. Bovendien kan het concept zelfsturend worden ingezet, zodat een groep er eventueel mee bezig kan zonder dat iemand de leiding heeft.
Verdeel de groep in teams van vier (smokkel waar nodig naar eigen inzicht) en nummer per team de leden. Vervolgens spelen de teams om beurten een game:
• In ronde 1 kiest speler 1 (zonder overleg!) een game die speler 2 op het lijf geschreven is.
• Waarschijnlijk heeft speler 2 bij die game een favoriete positie (de verteller, degene die de scène start…), deze rol wordt nu door speler 1 op zich genomen. Of in ieder geval een andere speler dan nummer 2.
• Bij de volgende ronde kiest speler 2 een game die op het lijf van speler 3 geschreven is, enzovoort.
Zo laat een avondje “De beste theatersporters van Nederland” iedereen lekker spelen met wat extra uitdaging en verdieping. Varieer gerust, geef bijvoorbeeld speler 2 een typetje of andere extra input mee. Daag uit tot fysiek, muzikaal of stil spel. Het is een speelse vorm die de energie er in houdt tijdens een avond games spelen. Ondertussen blijkt het ook op een ontspannen manier oefening en verdieping te geven. Bij het kiezen van een game geef je in feite al tips en tops aan je medespeler, die na de scène vaak worden aangevuld.
Als groep zijn we tot nog toe relatief goed de corona-periode doorgekomen. We zijn nog compleet en actief, maar zullen wel aan het werk moeten om weer op het niveau van voor corona te komen, qua impro én qua groepsband. Daarin zijn we niet uniek, dat geldt voor veel verenigingen. Wees je daar van bewust, ga er mee aan de slag. Kies een methode die bij jullie past, en wellicht is dat “De beste theatersporters”, wat een mooie opstap kan zijn.
Ga er lekker mee aan de slag, haal die banden aan, en vergeet niet na afloop uitgebreid te evalueren in de nazit.
Vincent Rijntjes
Het bericht Impro na de pandemie: de beste theatersporters van Nederland verscheen eerst op Improblog.
]]>Het bericht Wat drijft de improvisatie acteur? verscheen eerst op Improblog.
]]>Ik ben mijn hele leven al gefascineerd door de vraag ‘what makes people tick?’ Nu had ik natuurlijk ook kunnen typen over: Wat bezielt mensen om de politiek in te gaan, blokfluitles te nemen of naar een concert van Rolf Sanchez te gaan? Maar dit vind ik net iets minder interessant. Om de reden dat je als improvisator zowat je hele wezen in moet zetten om improvisatietheater te kunnen uitoefenen. Geen partijprogramma om je achter te verschuilen, geen noot die je van te voren kan instuderen en geen sta-plaats rechtsachter waar je stiekem kan dansen.
Bovendien is improvisatieles ook een prachtige tool voor zelfonderzoek. Heel even over mijzelf. Ik ben improvisatie-comedian. Ik spring op een podium zonder script en maak theater. En ik doe dit voor mensen die daar tijdens de uitvoering om moeten lachen (huilen mag ook) en achteraf applaudisseren.
Een paar platgeslagen aannames:
Dit typende moet ik al een beetje lachen om mijn zwart-witte aannames van ‘de improvisatie comedian’. En merk dat ik dingen opnoem waarin ik mezelf eerder niet herken dan wel herken.
Ik sta goed en positief in het leven, maar heb de neiging om zaken bloedserieus te nemen. Ik houd er helemaal niet van als situaties alle kanten op kunnen gaan. Ik snak naar controle. De kick zit hem voor mij ook stiekem in het kunnen beïnvloeden van de energie van zo’n hele groep. En leuk zijn helpt daar toevallig bij. In die zin is improvisatietheater voor mij flirten met het verlangen om altijd controle te hebben of het juist los te ‘durven’ laten. Want wat een kick is het om controle te hebben in een situatie waar alle factoren bijna onzeker lijken te zijn.
Natuurlijk heb ik wat dingen gesimplificeerd in de bovenstaande alinea. Het is een zoektocht naar de drijfveren achter het improviseren. Deze zijn vaak onbewust. Ik ben ook erg benieuwd hoe anderen dit beleven.
Zie ik op een podium meer van wat jij in het dagelijks leven doet?
Of ben je meer zoals ik en flirt je met dingen die je spannend vind of juist naar verlangt?
Tot slot een aantal drijfveren waarvan ik denk dat specifiek improvisatieacteurs deze onbewust kunnen hebben om te doen wat ze doen.
Vul gerust aan, ik ben benieuwd naar jullie ideeën over de mens achter de speler.
Het bericht Wat drijft de improvisatie acteur? verscheen eerst op Improblog.
]]>Het bericht Improviseren als nuttige vaardigheid (in plaats van noodoplossing) verscheen eerst op Improblog.
]]>Een crisis zoals de corona-pandemie zorgt voor onvoorziene omstandigheden en stelt de hele maatschappij voor problemen waarvoor geen pasklare oplossing voor handen is. Dat is extra lastig in een land als Nederland, dat aan elkaar hangt van richtlijnen, protocollen en draaiboeken. Pas als die niet voldoen, is er als uiterste redmiddel de improvisatie, zo is vaak de gedachte. Ten onrechte wat mij betreft.
Als maker van geïmproviseerd theater en improvisatietrainer weet ik uit ervaring dat improviseren een vaardigheid is die je kunt ontwikkelen en trainen. Dat het niet betekent dat je als laatste toevluchtsoord lukraak maar wat doet en je dat vervolgens als excuus gebruikt voor de fouten die je maakt en waar anderen je op afrekenen. Improviseren betekent dat je er op bentvoorbereid dat je niet (helemaal) bent voorbereid. Klinkt vaag? Zie het zo: een acteur die halverwege een stuk zijn tekst kwijtraakt heeft het moeilijker dan een acteur die het podium op is gestapt en weet dat hij gaat improviseren. Hij kan zijn tekst niet kwijtraken, want hij heeft (nog) geen tekst. Wat hij op dat moment besluit te zeggen, dat is de tekst. Zijn tegenspelers raken daarvan niet van in de war. Ze weten: ik moet luisteren, incasseren en reageren. En wat die reactie ook is: het hoort bij het stuk. Is dat stuk foutloos en perfect? Nee. Maar laten we eerlijk zijn: een uitgeschreven en gerepeteerd stuk is dat ook vrijwel nooit.
De realiteit – of zo u wilt: het leven – houdt zich nooit aan welk script dan ook. Een crisissituatie verhoogt alleen de druk en neemt de illusie weg dat we de controlehebben. Dat we over informatie beschikken en met zekerheid kunnen inschatten wat de gevolgenvan onze maatregelen zijn. Premier Rutte maakte dat misverstand duidelijk toen hij tijdens eenpersconferentie zei: “In crises als deze moet je met 50 procent van de kennis 100 procent van debesluiten nemen.” Daarmee gaat hij voorbij aan het feit dat we nooit 100 procent van de kennishebben en we toch voortdurend besluiten nemen.
Het scheelt enorm als je voorbereid bent op het onvoorbereide. Dat neemt stress en paniek weg enzorgt voor de rust om je te richten op de vaardigheden die je in staat stellen te improviseren. Zoals luisteren naar anderen (maar dan ook echt), de situatie zien zoals die is (en niet zoals die zou moeten zijn) en daarnaar handelen . En – misschien wel de moeilijkste – fouten durven maken en die vervolgens niet wegmoffelen of vergoelijken. Dat laatste vergt ook wat van anderen (in theatertermen: de tegenspeler). Van hen worden dezelfde vaardigheden verwacht. Natuurlijk is een kritische blik op bestuurders belangrijk en ik begrijp heel goed dat de nood en frustratie soms hoog oplopen. Maar als iedereen alleen maar bezig is om gehoord te worden, blijft er niemand meer over om te luisteren.
Voor iedere geoefende improvisator zijn bovengenoemde vaardigheden (en andere) gesneden koek. Natuurlijk zijn de keuzes van beleidsmakers vele malen ingrijpender dan die van een theatermaker. Het gaat soms letterlijk om leven of dood. Maar waar het op neerkomt is dit: improviseren is een belangrijke groepsvaardigheid. Het is tijd om als samenleving die vaardigheid te omarmen en te ontwikkelen. Want elke dag zit vol onvoorziene omstandigheden en daar kun je maar beter op voorbereid zijn.
Deze blog verscheen eerder op Bliksemfles.
Het bericht Improviseren als nuttige vaardigheid (in plaats van noodoplossing) verscheen eerst op Improblog.
]]>Het bericht Online improviseren in 3D via Mibo verscheen eerst op Improblog.
]]>Improviseren met vrienden houdt mij al jaren gezond. In een druk leven met zoveel dingen die mijn aandacht vragen, helpt het om elke week een avond mijn eigen ideeën los te laten, in-het-moment te zijn en te genieten van dat magische gevoel samen met iemand die je vertrouwt iets uit het niets te zien ontstaan op het toneel.
In een jaar met zoveel soorten extra stress is impro daarom essentieel. Bij Expreszo Theatersport in Hoorn, een van de oudste verenigingen van het land, zijn we het afgelopen jaar doorgegaan met vormen vinden om te blijven improviseren. In de maanden dat het kon, op anderhalve meter in ons mooie Pakhuis-theater, en tijdens de lockdowns online. We komen elke donderdag samen op Zoom, en hebben een heel aantal spelvormen en oefeningen gevonden die best tof werken online; in de eerste lockdown hebben we Renka van Esch geholpen deze te beschrijven in een online document. Niet alles werkt goed; vormen waarin je tegelijk moet spreken gaan lastig vanwege lag, en bewegen of scènes waarin het belangrijk is hoe je fysiek je ten opzichte van elkaar verhoudt, gaan lastig natuurlijk. Maar je kunt ook juist weer gebruik maken van wat de techniek biedt, zoals je beeld/geluid/microfoon aan & uit zetten tijdens raad-spelletjes, spelen met virtuele achtergronden en breakout-rooms.
Meestal improviseren we dan 45 minuten tot een uur samen, en nemen daarna de tijd om elkaar te ontmoeten en bij te praten. Ook juist zo belangrijk in deze tijd, zeker voor de mensen die alleen wonen. Online impro blijkt niet voor iedereen te zijn. Het is tof (en ik ben er trots op dat wij dat elke week doen), maar als je de hele dag thuis gewerkt hebt en online meetings je energie opeten, wil je soms ‘s avonds even wat anders. We hebben dan ook een heel aantal leden voor wie de online trainingen niet zo goed werken, en die we dus maar beperkt zien. Toch houden we contact en organiseren geregeld speciale avonden met quizzes, borrels en sokpop-maak-impro-wedstrijden…
Onlangs hebben we geëxperimenteerd met Mibo, een online 3d videoconferentie-platform dat door vrienden van mij is gebouwd in de eerste lockdown. In Mibo wordt je webcam-beeld geprojecteerd op het beeldscherm-hoofd van een robot, die in een cartoon-achtige 3D-wereld kan bewegen. Je hoort het geluid van mensen die dichtbij je zijn beter dan die van veraf, en zo krijg je een interessant gevoel van ‘online presence’ dat je eigenlijk zou moeten ervaren om te weten hoe het meer is dan een standaard zoom/meet/teams-meeting.
Het is bedoeld voor online team-borrels en kleine conferenties en je kunt er inderdaad tof samen rond een kampvuur of cafe-tafel zitten en met elkaar praten. Verderop hoor je anderen over iets heel anders spreken, en je kunt even weglopen om aan een ander te vragen hoe het met haar gaat; iets wat in een zoom-call niet zo goed gaat; dat worden vaak ronde-tafel 1-voor-1 gesprekken.
Maar daarna hebben we ook geëxperimenteerd met spelvormen en oefeningen: wat zou kunnen werken in Mibo en heeft het ook toegevoegde waarde op zoom? En tot onze verrassing werkte het echt heel tof, en hebben we besloten voorlopig eens een aantal keer op een Mibo-eiland samen te komen elke week. Het voelde als een bevrijding om sommige soorten interactie weer met elkaar te kunnen hebben. De volgende vormen hebben we geprobeerd (maar er is natuurlijk nog zoveel meer mogelijk):
Tikkertje! Haha lekker kinderachtig. Onaangekondigd zegt de spelleider “tikkie jij bent hem” en rent weg. Na wat verbazing vallen we in een heerlijk energiek spel met tikken, waarbij het online lopen niet voor iedereen even goed gaat.
Woezj Boing Pauw: je gaat in een kring staan en gooit een denkbeeldige woezj door in de kring. Goed kijken waar hij is, en het werkt mooi als je de woezj doorgeeft en dan met je hoofd achterover buigt. Verder kun je natuurlijk de woezj boingen en gaat hij de andere kant op, en tot slot de pauw naar iemand ergens anders in de kring. Je kunt niet zo handig wijzen, dus goed kijken en ms de naam van de ander erbij roepen. We hebben ook de Billy Billy Bob geprobeerd maar die is zo afhankelijk van snelheid van reageren dat de kleine vertraging tussen mensen in geluid het te lastig maakte.
Een leuke opwarmer met extra handicap is het Ga-Op-Volgorde staan. We gebruikten daarvoor de balustrade boven in de Saloon; extra grappig om daar op volgorde te moeten gaan staan omdat je elkaar daar niet kunt passeren en dus heel goed moet samenwerken om elkaar voor te laten staan. De spelleider staat beneden en zegt “ga op volgorde van leeftijd staan”. Of op schoenmaat, aantal broers/zussen of lengte van het corona-haar
Bankje Ding; gewoonlijk met 4 spelers maar wij merkten dat het beter gaat met 3 personen. Je verzint waar het ‘podium’ is, zorgt dat het publiek het goed kan zien en horen (niet voor elkaar gaan staan ), de spelers beginnen met de rug naar het publiek en als de spelleider DING roept, draaien zich spelers zich wel of niet om. De spelers (1, 2 of 3) die omgedraaid zijn, spelen direct een scène met elkaar (even naar links en rechts kijken dus wie je medespelers zijn). Soms heb je monologen, soms groepsscènes. Het is leuk als de DINGs steeds sneller gaan op einde. En als dezelfde combinatie van spelers is omgedraaid, zijn we weer in dezelfde situatie natuurlijk. We vroegen een algemeen thema van het publiek “carnaval” en improviseerden zo samen de nieuwe kraker “ik heb een hond… met een banaaaaaan!” en eindigden in een polonaise op het dorpsplein.
Tot slot speelden we Stop, Iets Anders, wat ook vrij goed werkte: Twee spelers beginnen een scene, en als de spelleider DING roept (we merkten dat dat online beter werkt dan ‘stop iets anders’) doet de speler die zojuist iets zei of deed iets anders. Een stukje rewind & try-again als het ware. Net zo vaak DING roepen tot de eerste voordehandliggende suggesties zijn geweest en er iets nieuws gebeurt. De andere speler accepteert dat aanbod, en gaat daar weer verder mee. Heel grappig, en leuk om te zien hoe de spelers creatief omgaan met de nieuwe mogelijkheden van Mibo. Bewegingen, ja-knikken, een speler die staat over te geven over het hekje, twee spelers die helemaal high worden en beginnen te springen…
Het is nog maar het begin, maar het voelt als iets heerlijk nieuws, dat voor impro-spelers nieuwe kansen geeft in een tijd dat er veel dingen niet kunnen. We zouden nog graag een beter podium/stage hebben met goed geluid, misschien een amfitheater of zo. En verder zijn er nog zoveel ideeën; er is ook een bal waar je mee kunt gooien en een cadeautje; wat kun je daar allemaal mee?
Mibo is gratis tot 12 bezoekers (en met een betaald account zijn er meer werelden en mogelijkheden), het werkt in de Chrome browser, ook op wat oudere computers en chromebooks zelfs. Je hebt natuurlijk een webcam en microfoon nodig, oortjes zijn handig, en een toetsenbord en muis of trackpad. Het bewegen en orienteren werkte na een beetje oefenen ook goed voor onze wat-minder-digitale-leden
Probeer het eens en laat weten wat voor jullie werkt. Ik ben benieuwd. Hou je taai allemaal, en hopelijk kunnen we snel ook weer fysiek spelen en elkaar ontmoeten op impro-festivals en voorstellingen in het land.
Anne Veling, Expreszo Theatersport, Hoorn
Het bericht Online improviseren in 3D via Mibo verscheen eerst op Improblog.
]]>